Alles Moet Blijven Zoals Het Is: Over Kantoorclichés en de Jeukmeuk van Japke-d. Bouma

‘We worden overspoeld met kantoorclichés op ons werk. Worden we daar beter van, vraagt Japke-d. Bouma zich wekelijks af.’

Zo worden de columns die Bouma wekelijks voor het NRC Handelsblad schrijft aangekondigd.

Het antwoord op wat ze zich afvraagt is steevast ‘nee’.

Eerder trok ik redelijk fel van leer tegen het volstrekt lege corporate jargon waar LinkedIn van krioelt. Op papier zou een column waarin wordt geageerd tegen de holle frasen die over menig Nederlandse kantoortafel vliegen er dus in moeten gaan als koek. Toch staan de stukjes van Bouma over ‘kantoorclichés’ me zo mogelijk nog veel meer tegen dan het betekenisloze idioom op LinkedIn.

Waarom dan? Vandaag vraag ik me af of we beter worden van het kantoorclichés-oeuvre van Japke-d. Bouma, aan de hand van twee columns: Werken op een flexplek: dat is de hel en Scrummen? Agile werken? Wat is dat?. (Ook de hel, wat Bouma betreft.)

Ditheid
Een groot gedeelte van Bouma’s columns hangt op het feest der herkenning, op wat Jacob Silverman duidt als ‘thisness’; ditheid in goed Nederlands. Ditheid is het gevoel van identificatie dat opkomt als een algemeen, onuitgesproken concept ineens wordt vertaald naar iets concreets en tastbaars. Plotseling worden je ongrijpbare zielenroerselen op en rond de werkvloer uit de anonimiteit gerukt. Ze staan er allemaal, gestold in een paar rake zinnen. Er lijkt geen eerlijkere reactie te bestaan dan die zinnen blij opgelucht te ontvangen met een welgemeend “Ja! Dit!”.

Ditheid wordt op twee manieren door Bouma gebruikt: enerzijds door (een beetje slapjes) te appelleren aan de Zeitgeist door middel van het oprakelen van een hele waaier aan clichés die we kennen uit het (al dan niet Werkende) Leven van Nu:

Laatst zag ik iemand rondsjokken op zoek naar een flexplek, met een rolkoffer achter zich aan met een vingerplant erin, een geurkaars, een bakje quinoa-salade, een tosti-ijzer, een voodoo-poppetje, een beschimmelde appel, zijn eigen merk theezakjes, lelijke kindertekeningen, een ingelijste foto van zijn kat en keelpastilles.

Hier is op zichzelf niets mis mee. Er zijn weinig columnisten die zich niet schuldig maken aan de stijlfiguur van het appelleren aan de leefwereld van de potentiële lezer (‘ken je ook het gevoel dat…?’). Die moet het een en ander immers wel enigszins kunnen relateren aan haar of zijn begrippenkader.

Maar het gebeurt ook venijniger, zoals hieronder:

De enigen die blij zijn met flexplekken zijn interieurarchitecten. Sowieso de meest overbodige beroepsgroep ooit. Dat zijn ook de mensen van de slechte akoestiek, de koffiecorners waar niemand wil zitten en ‘flexen in de vlek’. Dat is dat je lekker flexibel mag gaan zitten, maar dan wel op de 20 vierkante meter die zíj bedacht hebben. Verder denken ze dat je slecht licht wil, of aan stabureaus wil staan, met als voorlopig dieptepunt de ‘aanlandwerkplek’, een flexplek waar je je mail kan checken en koffie kan drinken tot je échte flexplek beschikbaar is.

Ja! Dit! Hoor ik je denken. Doel bereikt, dit is dus ditheid ten voete uit. Waarbij de ‘interieurarchitecten’ een stevige veeg uit de pan krijgen. Daarover later meer.

Maar ja, benoemen kan iedereen. Wordt er niet iets meer over gemeld, anders dan dat het de lucht in geslingerd wordt en een vage zweem van herkenning en afkeuring ontlokt?

Oude wijn in nieuwe zakken
Een andere terugkerende aanname in de columns is dat alle kantoorterminologie slechts ‘oude wijn in nieuwe zakken’ is: je zegt zus, maar bedoel je niet gewoon zo? Veelvuldig passeert dit de revue:

Dat ‘gekoppel’ ook de hele tijd. En dan vooral ‘terug’, zonder dat er een trekhaak in de buurt is. En die leuke jongen van sales die geen praatje meer met me wil maken, maar alleen nog maar met me wil ‘scrummen’. Of mijn baas die de hele tijd zegt dat er ‘gestuurd moet worden op kwaliteit’. Maar als ik dan een eindje met hem wil gaan rijden is dat niet de bedoeling. En dan mijn columns. Die heten geen columns meer, maar ‘unieke, relevante content die de lezer in vervoering brengt’. En ik mag ze niet meer schrijven, nee, ik moet ze ‘creëren’.

Een paar rake associaties ten spijt: het probleem blijft hetzelfde als hiervoor. Er wordt iets benoemd, maar er wordt niets, maar dan ook niets geduid. Wat is dat terugkoppelen dan, in welke context wordt het aangewend? Door iedereen, of door een specifieke persoon of afdeling?

‘Is dat dan zo erg dat het niet wordt toegelicht?’, hoor ik je vragen. Ja, dat is erg. Als ik in de vorige paragraaf ditheid zonder context ter sprake zou brengen, dan zou een terechte tegenreactie zijn: ‘bedoel je niet gewoon herkenning?’. Maar het ging nu juist om die specifieke betekenis van ditheid, waardoor ik er geen redelijk alternatief voor zag. Om dat toe te lichten, leidde ik het begrip in, gaf er een bron bij, en liet aan de hand van voorbeelden zien wat het begrip zoal kan betekenen.

Dit klinkt basaal, op het belachelijke af, maar het is blijkbaar niet zo vanzelfsprekend: bij Bouma worden de termen ‘tussen aanhalingstekens geplaatst’, ter hand genomen en in de lucht gehouden als een dikke naaktslak, of een volgescheten luier.

Vies hè? Nou!

Maar daarna? Niets. Geen duiding, geen achtergrond, geen context. Geen gedachten over hoe het begrip misschien het ‘oude’ begrip zou kunnen aanvullen of verrijken. Niets van dat alles.

‘Zij’ verpesten ‘ons’ werk
Langzaam ontvouwt zich de rationale die achter achter dat smijten met termen schuil gaat.

Onderzoek van onder meer Jonathan Weaver en Jennifer Bosson laat zien: Lekker samen walgen om een gemeenschappelijke vijand schept een grotere band dan het delen van positieve gevoelens en ervaringen. En gezamenlijk walgen gebeurt volop in de stukjes van Bouma. Zo wordt er altijd gesproken van een ‘wij’: de kantoorklerkenklasse waar Bouma voor schrijft, en waar ze zichzelf blijkbaar ook onder schaart. ‘Wij’ zijn werknemers die ons werk goed willen doen, en hierbij niet gestoord willen worden door de nieuwste modegrillen die de managementlaag over ons wil uitstorten:

[H]et is natuurlijk een ellende, bij jou en bij mij op kantoor. Al die dingen die prima werkten, maar nu ineens heel anders heten of erger nog, HELEMAAL ANDERS MOETEN, en waarmee een interim-coach, een Scrum Master of een frisdenker je van je werk komt houden.

Bouma plaatst haar opvattingen in het discours waarin men zich verzet tegen wat ook wel managerialism wordt genoemd. En daar is natuurlijk ook van alles mis mee: zie bijvoorbeeld wat ik eerder schreef over ‘authenticiteit’ op het werk. Vaak hebben die lege woorden inderdaad een heel andere agenda dan wordt voorgespiegeld, en het is goed om daar licht over te doen schijnen.

Maar in de columns wordt dit teruggebracht tot een situatie waarin ‘zij’ erop uit zijn om ‘ons’ het leven zuur te maken. Het beeld ontstaat dat bijvoorbeeld ‘de interieurarchitecten’ in hun ivoren toren beleggen op wat voor manier ze nu weer het dagelijkse werkplezier van de mensen onderin de kolom kunnen vermorsen.

Natuurlijk mag je kritiek hebben als er van bovenaf iets nieuws wordt opgelegd wat in de praktijk slecht blijkt te werken. Maar het wordt hier gereduceerd tot een kaal en algemeen ‘wij-zij’-denken waar niemand ook maar iets mee opschiet.

Op sommige plekken komen de columns van Bouma over alsof het allemaal een grote grap is. Het feit dat hierboven ‘HELEMAAL ANDERS MOETEN’ bijvoorbeeld met hoofdletters is geschreven kan bijvoorbeeld duiden op het dik aanzetten van het ‘schrikbeeld’ van verandering, waarbij de tongue-in-cheek-gedachte is dat er natuurlijk soms dingen moeten veranderen. Ook wordt er soms gewoon lukraak met termen gestrooid, en verzandt het in een soort postmodern spel, waarin niets meer betekenis lijkt te hebben.

Lachen joh. Maar daarvoor is de boodschap die de columns aan het einde van de rit uitdragen toch iets te grotesk.

Alles moet blijven zoals het is
Want dit is waar het op uitdraait: verandering behoeft geen duiding, want die is per definitie slecht, bestaat al, voegt niets toe, en belet ons van het leveren van goed werk. Laat alles maar gewoon bij het oude:

Een werkplek is wie we zijn, ons thuis, een spiegel van onze identiteit. Ontneem ons onze identiteit, en je krijgt er kleurloos werk voor terug.

[W]e stoppen gewoon lekker met al die kantoorclichés en veranderen alleen iets als het moet.

En vanaf hier wordt het natuurlijk volkomen belachelijk. De crux is klaarblijkelijk: wij veranderen wanneer wij de tijd rijp achten. Tot die tijd komt er niets van in, geen discussie over mogelijk, anders torn je aan onze werkgewoontes. en die gewoontes zijn heilig.

Geeft dat dan soms een prettige werksfeer?

Nee. Om bij het voorbeeld van de werkplek te blijven. Een vaste werkplek wordt voorgespiegeld als iets waar iedere kantoormedewerker van houdt, en baat bij heeft – lekker de identiteit koesteren. Vast en zeker geldt dat voor de werknemer die al dertig jaar op dezelfde kamer op het zuiden zit en tegen dezelfde ad remme overbuurman aankijkt. Maar geldt dit ook voor de werknemer aan het tochtige kantooreiland, vlakbij de lawaaiige airco en de irritante collega die alles wat in hem opkomt met zijn tafelgenoten wil delen?

Dacht het niet. Ik wil nog best even doorgaan, maar ik vind het eigenlijk niet de moeite. De grondgedachte dat verandering per definitie slecht is, is een stenen muur waar geen enkele sloophamer tegen is opgewassen.

Statler & Waldorf
Waar ik hoopte op een onderbouwde kritiek van het inderdaad vaak opgeklopte en lege managementjargon, beklijft slechts de smaak van stoffige, slappe conservatieve meuk, die vagelijk appelleert aan de huidige tijdgeest, maar vooral geen millimeter bereid is te schuiven bij het geringste teken van verandering.

Dat is jammer, want de stukjes zijn wel met gevoel voor stijl en retoriek geschreven, af en toe met sterke vergelijkingen. Maar blijkbaar is Bouma ergens onderweg in haar journalistieke carrière in deze Statler & Waldorf-rol blijven hangen, wat blijkbaar goed bevalt en in elk geval gretig aftrek vindt bij deskjobbend Nederland.

Zonde, want ze kan vast beter dan dat.