Postmodernisme revisited: Het nieuwe synoniem voor ‘stom’?

Drie jaar geleden werd op deze plek het postmodernisme besproken. Dit mondde uit in een vrij droog lemma waarin kort de ontwikkeling van het begrip wordt besproken, en wat het zo ongeveer inhield.

Het leuke van een blog is dat het voortschrijdend inzicht zich onder je neus voltrekt. Niet alleen het sóórt stof dat op deze plek in de afgelopen paar jaar is geadresseerd (en de manier waarop) verandert, maar ook de levende definitie van diezelfde stof. Stof waarvan je dacht dat je die voorgoed in steen had gebeiteld. Nailed it.

Het was de frisse naïveteit van de kersverse schoolverlater: ‘en nu zal ik jullie voor eens en altijd laten zien wat postmodernisme inhoudt’. Poppetje gezien, kastje dicht.

Er is meer dan genoeg aanleiding om nog eens het licht te doen schijnen over dat ‘postmodernisme’ (PoMo voor intimi). Het was al niet per se bij iedereen een geliefd gespreksonderwerp – vooral onder studenten die er maar met moeite chocola van konden maken –, maar sinds de vorige bespreking van het onderwerp is postmodernisme een onwijs middle-of-the-road scheldwoord geworden. Voor zo ongeveer àlles.

Hoe kon dat in die tussentijd gebeuren?

Hou je vast: zware kost ligt in het verschiet. Maar zware kost die het verdient om te worden verteerd, aangezien het schampt aan een aantal van de grote problemen van onze tijd.

De Uitdaging
Om met Herman van der Zandt te spreken: Hoe Was Het Ook Alweer? Oftewel: wat hield dat postmodernisme zoals het eerder uit de doeken is gedaan ook weer precies in?

De term ‘postmodernisme’ raakt ongeveer halverwege de twintigste eeuw in zwang. Tegen de achtergrond van de holocaust, de Koude Oorlog, de klimaatcrisis en dekolonisatie vonden postmodernen dat ze niet langer vol konden houden dat de geschiedenis in een strakke lijn naar de hemel liep – zie de hier eerder aangehaalde ‘Plato-to-NATO’-gedachte. Het moderne vooruitgangsverhaal was eigenlijk niet meer dan een mythe. Een bevinding die niet in de laatste plaats in de hand werd gewerkt door inzichten binnen de wetenschap zelf, zoals de complexiteitstheorie de kwantummechanica.

Dat zodoende alles ter discussie staat is één ding. Maar hoe werkt postmodernisme dan concreet? Eerder werd dit geïllustreerd aan de hand van Roland Barthes’ grondgedachte, die nog steeds volstaat. Cultuur is opgebouwd uit een grote hoeveelheid tekens, symbolen en stereotypen die gezamenlijk ons algehele referentiekader vormen. Het bevragen van de achterliggende assumpties van die tekens vormt de ‘postmoderne blik’, waarmee alle taal- en cultuuruitingen kritisch kunnen worden aanschouwd. En de onderliggende ‘mythen’ kunnen worden onthuld. Vooral van dat laatste was Barthes niet vies.

Zo ongeveer in een notendop is dit dus wat postmodernisme omvat. Niet superingewikkeld, en je kunt het zo moeilijk maken als je zelf wilt. Het probleem (of de uitdaging, zo je wilt) zit hem erin dat postmodernisme door veel mensen in de loop der tijd inderdaad behoorlijk moeilijk is gemaakt. Neem Jacques Derrida, die zijn grondstelling ‘niets is simpel’ ook in geschrifte maar wat graag eer aandeed. Daarover wellicht een andere keer meer.

Afijn: die complexiteit van het postmodernisme leidde niet in alle kringen tot onversneden acceptatie. Zo dreef Alan Sokal in 1994 de spot met het postmodernisme door een artikel gepubliceerd te krijgen in het goed aangeschreven wetenschappelijke tijdschrift Social Text. Zijn ronduit ridicule these was dat zelfs zwaartekracht een talig construct is. Het bestond uit veel dure termen, zoals morphogenetic fields en counterhegemonic narratives, maar verder was het artikel vooral klinkklaar geleuter; naar eigen zeggen kon het artikel gepubliceerd worden op voorspraak dat het de bestierders van Social Text vooral best intelligent en ‘academisch’ in de oren klonk.[1]

En daar kon toen best om worden gelachen. Ook door postmodernen zelf, in de trant van: ach, wat maken we het onszelf inderdaad soms moeilijk. En het leven werd hervat.

Het soort kritiek dat postmodernisme tegenwoordig voor zijn kiezen krijgt is echter van een heel andere orde.

Gebrainwasht
Kort samengevat is postmodernisme tegenwoordig de blauwdruk van een heus wereldcomplot. Dat klinkt bespottelijk, en dat is het ook. Adriaan van Veldhuizen en Jan Overwijk beschrijven lezenswaardig hoe zowel het Amerikaanse alt-right als een groeiende stroom bezorgde burgers in Nederland het postmodernisme aanwijst als de spreekwoordelijke ‘as van het kwaad’. Zo zijn debatten over de etnische natiestaat, de rol van de vrouw in de samenleving, en het genderneutrale toilet allemaal wel een keer toegedicht aan de allesvernietigende hamer van het postmodernisme.

Postmodernisme is overal, en het is ook nog eens een sluipmoordenaar. Gebrainwasht als we zijn, nemen we het sluimerende postmodernisme al niet meer waar. Het zit tot in de haarvaten van allerlei groeperingen: emancipatiebewegingen, geesteswetenschappen (God verhoede!) en mensen die deugmutsen, Gutmenschen of ‘Social Justice Warriors’ (kortweg SJWs) worden genoemd – moraalridders, dus. En zij, de meest perifere groeperingen die ieder jaar meer naar de financiële afgrond worden gedwongen, hebben de wereld dus in een allesvernietigende greep.

De kiemen voor deze – mag ik dat zeggen? Ja, dat mag ik zeggen – rotzooi werden al omstreeks de vroege jaren ‘90 gezaaid; ook Alan Sokals actie werd geclaimd als munitie door de early adopters van het anti-PoMo-kamp: wat een navelstaarderij daar in de ivoren toren! En met kletspraat kom je er blijkbaar ook wel tussen.

Darwinistisch
Een van de belangrijkste hedendaagse bestrijders van het postmodernisme is de Canadees Jordan Peterson. Ook hij is niet zo blij: postmodernisme trekt met zijn relativistische houding ‘de ruggengraat uit de traditionele samenleving’. Dit zou gebeuren via een goed geolied politiek project, geënt op niets minder dan het marxisme – het ‘cultuurmarxisme’, zoals het ook wel wordt aangeduid. Dit project, waarvan we dachten dat het gestrand was in de Sovjet-Unie, beleefde een doorstart onder het mom van postmodernisme, en zette zijn strijd voort met andere middelen, aldus Peterson.

Vanzelf ging dat ging niet. Veldhuizen en Overwijk vatten de waanzin van Peterson en consorten samen:

Eerst liet het postmodernisme met taalfilosofie zien dat alle waarheden slechts sociale en talige constructies zijn. Vervolgens probeerde het de samenleving in identitaire groepjes met hun eigen waarheden op te delen: vrouw, man, zwart, wit, homo, transseksueel en ga zo maar door. Op deze manier creëerden de postmodernen een ‘groepsrelativisme’ waarin de waarheid per groep anders is en niemand nog universele waarheden kan claimen. Dat talige en sociale relativisme resulteert in een samenleving waarin enkel machtsrelaties er nog toe doen. Degenen met de meeste macht – man, wit, hetero – dringen hun waarheid op aan anderen. Om die tendens te breken, voeren de postmodernen een politieke strijd die de sterkeren en de zwakkeren gelijkstelt.

Peterson is van huis uit psycholoog, en een sterk op het individu gerichte ook. Je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen succes – dat werk. Ook dat vormt een vitaal onderdeel van zijn verhaal: de postmodernen en de marxisten van deze wereld willen je doen geloven dat jij niet méér waard bent dan de ander, maar trap er niet in! Dat ben je wél!

Er schuilt daarnaast ook een sterk darwinistische ondertoon in: parallellen met de gang van zaken in het dierenrijk worden heel vaak gemaakt in Petersons universum. Zo noemen zijn aanhangers zich regelmatig lobsters, omdat hij in zijn bekendste werk Twelve Rules for Life beschrijft hoe kreeften graag met gerechte rug door het leven gaan, en op die manier de ander kunnen domineren. Dáár kunnen mensen nu een voorbeeld aan nemen.

En zo heeft Peterson het ook over de wereld als een apenrots. En op de apenrots zijn er nu eenmaal inherent sterkeren en inherent zwakkeren. Een stelling die overigens iedere bij-de-tijdse, zichzelf respecterende primatoloog niet zal onderschrijven. Maar interpretatieverschillen daargelaten, en teruggebracht tot de meest nietszeggende, algemene en dus zelfs onware kern: dáárom zijn marxisme en het streven naar gelijkheid onnatuurlijk, wat Peterson betreft.[2]

Witte Man
In een tijd waarin alle heilige huisjes die er ooit hebben bestaan worden ontmanteld biedt Peterson met zijn ‘in-je-kracht-staan’-gedachtegoed blijkbaar houvast aan een groeiend gedeelte van de bevolkingsgroep die zijn invloedssfeer langzaam ziet inperken en afbrokkelen – kort en goed: een bepaald type Witte Man. Daarom groeide Peterson de afgelopen tijd uit tot het boegbeeld van het internationale ‘verzet’ tegen postmodernisme. In een eindeloze stroom YouTube-filmpjes veegt hij – begaafd spreker als hij is, het moet gezegd – naar eigen zeggen de vloer aan met ‘softe’ Amerikaanse liberalen, feministen, en ander soortgelijk tuig.

De macht moet terug naar de groepen die het toebehoort! De terugkeer van het gezonde verstand!

Waar hebben we iemand als Peterson – en in Nederland een minstens even akelige als lachwekkende evenknie als Thierry Baudet – in vredesnaam aan verdiend? Nathan J. Robinson vraagt zich hetzelfde af. Hij komt tot een schokkende, maar eerlijke conclusie: Petersons succes is omgekeerd evenredig aan ons falen. In een tijd waarin maar weinig publieke figuren een goed, samenhangend en hoopgevend verhaal lijken te kunnen bieden, wist Peterson bij een enorme potentiële doelgroep precies de juiste snaar te raken. En zijn ster is nog altijd rijzende.

Het is makkelijk en verleidelijk om zijn bespottelijke gedachtegoed weg te lachen en te verfoeien, en – zo lang als mogelijk – te doen alsof het niet bestaat. Maar belangrijker is het om onszelf af te vragen hoe we op dit punt zijn aangekomen. En of een adequaat verweer denkbaar zou zijn.

Ik zeg het niet te hard, maar misschien dat het postmodernisme ons hier een handje bij zou kunnen helpen.

_____

[1] Dit kunstje werd overigens niet zo heel lang geleden dunnetjes overgedaan door drie sensatiebeluste academici, met een denderende score van zeven op twintig ingestuurde – inderdaad ronduit stompzinnige – artikelen die door tijdschriften in de discipline die zij ‘academic grievance studies’ doopten (de hoek van genderstudies) werden geaccepteerd.

Google het als je interesse is gewekt – ik misgun ze de eer. Waarom? Gwen C. Katz vat bondig samen wat er mis is met de werkwijze van de drie. Het gebruik in de academische wereld is dat als je een manuscript instuurt voor een journal, je twee anonieme peerreviewers krijgt toegewezen – het zogeheten ‘double blind peer reviewing’-proces. En ja: dat systeem is niet optimaal en niet waterdicht. Niet in de laatste plaats omdat de vaak toch al zwaar overwerkte peerreviewers (mede-academici die een haakje hebben met het onderwerp van het ingestuurde manuscript, van daar de peer in de naam) er geen cent voor krijgen – allemaal liefdewerk oud papier. Niet zo gek dus dat die niet altijd een peak performance kunnen leveren.

Maar de conclusie van het drietal, dat zijn casus hoogmoedig Sokal Kwadraat doopte, is niet ‘betaal die arme peerreviewers dan’. Het enige doel – zoals overigens ook bij Sokal het geval was – is het in diskrediet brengen van een toch al vrij marginale academische discipline.

En net als bij Sokal wordt dat punt ook nog bar slecht verpakt: het ‘onderzoek’ heeft geen controlegroep, dus ze kunnen niet discrimineren voor de vermeende abominabele praktijken in de ‘grievance studies’ waar ze hun pijlen op hebben gericht. Er is derhalve geen enkele reden om te denken dat het moeilijker is om in, zeg, een natuurkundig tijdschrift broddelwerk gepubliceerd te krijgen. Om nog maar te zwijgen dat uit iedere letter van hun begeleidend schrijven de vooringenomen positie druipt, en conclusies die op geen enkele manier uit het onderzoek zelf volgen.

Hondsberoerd, niet-wetenschappelijk onderzoek wordt continu gepubliceerd, in allerlei tijdschriften, en dat is altijd zo geweest, in alle disciplines. Denk aan de hoeveelheid geld die farmaceuten in wetenschappelijk onderzoek pompen, en de daarmee gepaard gaande belangen die gemoeid zijn bij een (on)gunstige uitkomst. Dat levert ook lang niet altijd betrouwbare resultaten op, die meestal volgen uit een wel heel selectieve lezing van de resultaten.

Maar nee hoor: het probleem ligt bij de genderstudies. Het is goed met jullie.

[2] Ergens is het wel weer grappig om op te merken dat postmodernisme juist diverse malen ook in het geweer is gekomen tegen het militante marxisme waar extreemrechts het zo graag over heeft, zoals Shuja Haider opmerkt.