Eric Hoeprich – Bernhard Crusell: Three Quartets for clarinet and strings

Op onregelmatige basis recenseer ik nieuw verschenen CDs voor Tijdschrift de Klarinet. Exact een jaar geleden recenseerde ik het album Eric Hoeprich – Bernhard Crusell: Three Quartets for clarinet and strings.

Vroeg of laat komt je als klarinettist wel in aanraking met het werk van Bernhard Crusell. De van oorsprong Finse vroeg-negentiende-eeuwer was, naast gevierd klarinettist, ook een begenadigd componist. Hij liet een aantal sleutelwerken voor zijn eigen instrument na. Het bekendst zijn de twee klarinetconcerten, maar ook de drie kwartetten voor klarinet en strijktrio zijn geliefde en vaak gespeelde werken van zijn hand.

Eric Hoeprich bracht onlangs samen met leden van het London String Quartet een nieuwe opname uit van deze kwartetten. Met al meer 25 jaar ervaring is Hoeprich een routinier in de authentieke muziekpraktijk. Hij speelde onder grote namen als Christopher Hogwood en Frans Brüggen, en was bovendien lid van het eerste uur van het Orkest van de Achttiende Eeuw. Die schat aan ervaring betaalt zich uit in deze schitterende nieuwe opname met de kwartetten van Crusell.

Voor deze CD is goed gekeken naar de geschiedenis en de context waarbinnen Crusell leefde, door ook naar het instrumentarium te kijken dat hij bespeelde. In Dresden bezocht Crusell de toen al bekende werkplaats van de achttiende-eeuwse instrumentenbouwer Heinrich Grenser. Hij was dusdanig onder de indruk van de kwaliteiten van de klarinetten die Grenser vervaardigde, dat dit de instrumenten waren die hij de rest van zijn carrière bleef bespelen. De klarinetten die op deze CD worden gebruikt zijn gebaseerd op diezelfde modellen.

De instrumenten die Hoeprich bespeelt zijn gemaakt van buxushout en hebben tien kleppen. Ze hebben ook een stuk kleurrijker geluid dan de meeste nieuwbouw-instrumenten, een kleurenpracht die nog versterkt wordt door het gebruik van darmsnaren bij de strijkers en de ‘klassieke’, lagere stemming op 430 hz. Op die manier slagen de spelers er goed in om het geluid van Crusells tijd zo nauwkeurig mogelijk te benaderen.

Crusell schreef zijn kwartetten tussen 1807 en 1823, een kleine twintig jaar nadat Wolfgang Amadeus Mozart zijn klarinetkwintet schreef – het stuk dat toch wel als de blauwdruk kan worden beschouwd voor kamermuziek voor klarinet en strijkers. Ook Crusells muziek is sterk schatplichtig aan dat geluid, maar de kwartten klinken niettemin fris en onderhoudend, en komen meer dan genoeg leuke vondsten en kwinkslagen voorbij. De meeste diepgang is te vinden in de lyrische langzame delen, die qua dramatiek soms bijna richting de vorm van een aria gaan – een genre waarin Crusell zich overigens diverse malen ook meester van heeft getoond.

Het risico van kamermuziek uit de klassieke periode is vaak dat het een ‘concert voor solo-instrument en strijkers’ wordt: misschien een fantastische solopartij, maar beduidend minder interessante begeleidingsstemmen. Crusell trapte niet in deze valkuil en wist goed wat hij deed: de verschillende partijen zijn aan elkaar gewaagd, en er wordt vaak een uitdagend contrapunt ontwikkeld waarbij alle spelers op het puntje van hun stoel moeten zitten.

Het is moeilijk om niet op te merken dat het instrumentarium sinds het klassieke tijdperk zich nog flink heeft doorontwikkeld: er zijn nog genoeg rauwe randjes te ontdekken aan het spel en aan de techniek, bijvoorbeeld in de oneffenheden in de chromatische passages. De worsteling met het instrument is soms goed hoorbaar – misschien dezelfde worsteling die Crusell bij het schrijven en uitproberen van de lastige loopjes moet hebben meegemaakt. Maar de waanzinnige klankkwaliteit, vele malen warmer en doorleefder dan de perfectie van de instrumenten waar we vandaag de dag zo aan gewend zijn, compenseert ruimschoots hiervoor. Een absolute lust voor het oor.