Waarom De Wereld Mooier Wordt Als Mensen Minder Zouden Schrijven

Er wordt veel te veel geschreven. Zo veel dat ik er soms boos van kan worden. Ieder zichzelf respecterend merk heeft bijvoorbeeld wel een Eigen Verhaal dat prominent wordt uitgedragen, en de meeste verkoopsites worden helemaal dichtgeplamuurd met de meest afzichtelijke stoplappen van de marketingafdeling, die je moeten verleiden om iets te kopen. Geschreven content op het Internet is als de plasticsoep in de oceaan.

Fijn dus dat er op het Internet ook kanalen bestaan met louter Kwaliteitsjournalistiek. Bakenen van licht in de duisternis van de stijlbloempjes die het wijde web maar blijft uitbraken. Kanalen zoals De Correspondent.

Maar in hoeverre doet De Correspondent niet net zo hard mee aan webvervuiling, en daarmee het creëren van volkomen betekenisloze ruis in de hoofden van alle argeloze extremely online Nederlanders? Vandaag krijg je het antwoord, aan de hand van een artikel van Bregje Hofstede.

Met zo’n ironische inleiding als hierboven kán dit natuurlijk niet goed gaan. Ik ben echter niet van plan om De Correspondent de grond in te schrijven zoals de meeste misogyne kanalen dit plegen te doen. Als je een eindeloze stroom insinuaties en ad-hominems aan elkaar hebt geregen, dan bevuil je net zo goed het Internet. En er zijn al genoeg trollen die dat voor je doen.

Mijn behandeling van het ­Correspondent-artikel is dan ook meer een gevalsstudie voor een manier van schrijven die verder strekt dan alleen Hofstedes pen, of zelfs de muren van het kantoor van De Correspondent. Daarover later meer.

Lang geleden werd De Correspondent op de hak genomen door Micha Wertheim (die overigens onlangs zijn ziel aan de duivel verkocht en Correspondent Humor werd). Hij schreef het volgende, vanuit het personage van een Correspondent:

Populisten willen ons doen geloven dat de wereld heel simpel in elkaar zit. Maar dat is niet zo. Eigenlijk is de wereld heel complex. Dat wil niet zeggen dat we niet moeten proberen de problemen die er zijn netjes samen op te lossen. Daarbij is het goed om niet te vergeten dat de wereld er een stuk beter voor zou staan als onrecht zou worden bestreden en problemen zouden worden opgelost.

Wat hierboven gedaan wordt is vrij simpel, maar het wel treft zijn doel: het presenteert De Correspondent als een medium waar alle open deuren die er zijn vol overtuiging worden ingetrapt. De wereld is complex: ja, nogal wiedes, vertel iets nieuws en stop je zo te verhullen in de meest afzichtelijke gemeenplaatsen.

Hoewel Wertheims satire al een goeie vijf jaar oud is, moet ik er nog regelmatig aan denken als ik een gratis[1] Correspondent-artikel aanklik dat op een van mijn vele tijdlijnen voorbijkomt.

Wachtkamer
Het artikel dat ik met stijgende verbazing tot me nam was Hoe de smartphone van de hele wereld een wachtkamer maakt, geschreven door Bregje Hofstede. Zij schrijft stukjes met pakkende koppen zoals ‘Wat je terugkrijgt als je van Facebook gaat’, ‘Waarom Amsterdam wel een Coentunnel heeft en (nog) geen Damesgracht’, en ‘We mogen ons nog veel ongemakkelijker voelen over Zwarte Piet’.

Iedereen die schrijft voor De Correspondent mag zich ‘correspondent’ noemen. Hoewel Hofstedes hierboven genoemde stukjes al wat ouder zijn, neemt dat nog niet weg dat het klinkt alsof het uit de pen vloeit van een ‘correspondent Open Deuren’. Lekker surfen op de golven van de tijdgeest, met de wind vol in de zeilen. Lekker schieten op makkelijke doelwitten die iedereen al een keer vanuit alle mogelijke hoeken onder vuur heeft genomen.

Je stelt je voor hoe het gaat, zo’n redactievergadering van De Correspondent. ‘Bregje, jij gaat een mooie longread voor ons schrijven als correspondent Keuzevrijheid à 2.500 woorden. Aan de slag!’ En de rest is geschiedenis.

Longread
De smartphone, lekker actueel en een min of meer gemene deler voor ons lezerspubliek, zo moet Hofstede hebben gedacht. Ze schreef een pakkende kop die meteen inspeelt op Dingen Die De Lezer Toch al Weet. Wat volgt is een aaneenschakeling van algemeenheden, platitudes, interessante maar helaas ook goed gejatte feitjes, en bespiegelingen die de realiteit geweld aan doen zoals deze:

Economen weten dat wachten ook iets te bieden heeft: het voegt waarde toe. Mensen vinden een smoothie bijvoorbeeld lekkerder naarmate er meer mensen voor in de rij staan. En de zelfbeheersing die nodig is om het juiste moment af te wachten, lijkt een van de beste voorspellers van academisch en maatschappelijk succes – méér dan IQ.

Hier zit al een dijk van een misinterpretatie in. Er wordt verwezen naar dit artikel, waarin helemaal niet wordt gezegd dat langere rijen per definitie een product aantrekkelijker maken. Er wordt alleen een effect gevonden op het moment dat jij in de rij staat en achter je de rij steeds langer wordt. Wanneer je een enorme rij alleen maar van een afstandje observeert, heeft dit geen effect op de waarde die jij aan het product toekent waar men voor in de rij staat.

Maar een studie als deze al te rigide interpreteren past natuurlijk niet in een gladde longread zoals Hofstede die pleegt te schrijven.

Logaritme
Ze zet dapper door en probeert de ‘ik heb ‘m zelf ook’-strategie uit, en schrijft op samenzweerderige toon:

Een smartphone biedt behalve praktische, ook emotionele controle: hij vormt een mobiele reddingsboei voor de nerveuze reiziger. Zelf klamp ik me er ook vaak aan vast. Op een guur perron tussen onbekenden trek ik me terug in mijn vertrouwde bubbel van persoonlijke contacten en duik onder in informatie die door slimme algoritmes speciaal voor mij is uitgezocht. Narcistisch, maar erg comfortabel.

Misschien komt het doordat dit artikel alweer even oud is (een jaar of drie), maar goodness, that didn’t age well: wat staat dít bol van de belegen bevindingen. Goh wat ont-zet-tend origineel: praten over bubbels en slimme algoritmes.

Overigens stond in een eerdere versie van het artikel nog ‘logaritmes’, lezen we onderaan. Dat maakt het zo mogelijk nog ergerlijker: het feit dat je blijkbaar zo weinig benul hebt van wat die algoritmes precies doen dat je zelfs een totaal ander woord ervoor in de plaats gooit getuigt wat mij betreft van net zo veel tekstbegrip als de student die in zijn onderzoeksvoorstel informed consent opschrijft als ‘confirmed consistent’. Dat laatste is waargebeurd.

Immersief
Wat Hofstede tot vermoeiens toe doet is een vorm van zogeheten immersive journalism: ze dompelt zichzelf onder in de Wereld van het Wachten, om te ontdekken wat dat met haar persoon doet. Je ziet haar al voor je, serieus gebogen over het papier of – waarschijnlijker – de laptop, wachtend op de eerste ingeving die kleur gaat geven aan de wacht-experience.

Steeds wanneer ik de afgelopen maand ergens op moest wachten, liet ik mijn smartphone netjes in mijn tas. Ik ben te ongeduldig om stil te staan op een roltrap, dus rustig wachten kostte nogal wat oefening.

Het schrijven schoot blijkbaar niet op, dus ter inspiratie liep ze even naar het keukenraam:

Al turvend stelde ik vast: van de eerste vijftig fietsers die onder mijn keukenraam passeren, hebben er tien een telefoon in de hand. Kennelijk is hun omgeving niet interessant genoeg om hun aandacht vast te houden en zijn ze in hun belevingswereld alvast elders.

Nou, wat voel je je weer superieur over hoe andere mensen met hun tijd bezig zijn. Jij bent super-intelligent bezig met een longread op te typen over een super-interessant onderwerp. En als dat op deze manier gebeurt (toch weer 44 woorden erbij), dan schrijft het stuk inderdaad zichzelf.

Zombie
Ik kan niet wachten tot ik het artikel uit heb. Maar dan komt gelukkig iets wat zowaar lijkt op een originele gedachte:

Omdat ik zo gespitst was op het wachten, vroeg ik me daarbij steeds sterker af: Geldt dit – naar mijn smartphone kijken terwijl ik toch iets aan het doen was – niet ook als wachten? Het gevoel dat erbij hoorde was alleszins hetzelfde: onrust, ongeduld met de huidige situatie, en om daaruit te geraken de impuls om naar mijn telefoon te grijpen voor een venstertje op een andere wereld.

Dit is best een aardige vraag. Is kijken naar je telefoon niet ook een vorm van wachten? Helaas overspeelt Hofstede haar hand en laat ze de primaire bron aan het woord:

‘Mensen maken gebruik van deze technologie juist omdat ze wachten, en niet omdat het concept van wachten overwonnen is,’ schrijft computerwetenschapper Mark Perry hierover. De smartphone, die wel ‘Lazarusmachine’ is gedoopt omdat hij dode tijd tot leven wekt, zou je daarom beter kunnen zien als ‘zombie-machine,’ vindt Perry: de dode tijd tot leven wekken lukt maar half.

Het obligate aanhalen van een expert met een halfbakken citaatje, dat ook nog eens matig uit de verf komt en niet wordt uitgediept. Ga er eens op letten voor de grap, de volgende keer als je een longread tot je neemt, als iemand weer eens een quote van een Amerikaan heeft gelezen in The New Yorker, deze naar het Nederlands vertaalt en ermee pronkt als een heus stukje cultureel kapitaal. Cultureel kapitaal dat bovendien waarschijnlijk louter is toegeëigend door de zoektermen ‘smartphone’ en ‘waiting’ in een wetenschappelijke database zoals JSTOR of Google Scholar te gooien. Daar moet je zeker voor doorgeleerd hebben.

Halfhartig
En zo kabbelt het nog een beetje voort, en doet ze op het einde nog een halfhartige poging om alle losse flodders die de ruimte in zijn geslingerd aan elkaar te lijmen. Die zal ik je besparen. In plaats daarvan vraag ik mezelf hardop het volgende af.

Wat heb ik nu eigenlijk gelezen, anders dan een hele grote stapel brokstukken uit het persoonlijke logboek van Hofstede? Was het het nu echt waard om hier 2,500 woorden aan te wijden? Maar vooral: is dit dan de manier waarop we voorbij die zo gevreesde Waan van de Dag geraken, zoals De Correspondent vrijwel nooit nalaat om te vermelden?

Bas Heijne gaf het ze onlangs ook terug. Ga je nu echt de diepte in als je je bezig gaat houden met Tweede Kinderen? Is dit dan de onderzoeksjournalistiek waar de wereld beter van wordt, zoals jullie consequent zo hoog van de toren blazen?

Het stuk van Hofstede staat niet op zichzelf: het lijkt een trend om wat ik maar even irritante reflexiviteit noem aan de dag te leggen. Bij voorkeur in veels te lange stukken. De voorbeelden liggen voor het oprapen: neem het proza van medecorrespondent Nina Polak, dat leest als een opgeflufte scholieren.com-samenvatting van een Amerikaans boek, als het al geen jatterige adaptatie is van de koffietafelrubriek in die eerdergenoemde New Yorker. De lullige ontploeter-serie van Annemiek Leclaire bij Vrij Nederland is van hetzelfde laken een pak. De plichtmatigheid en het gebrek aan inspiratie druipen bijna van het scherm.

Duim
Soms heb je gewoon auteurs die overal een stukje in willen zien. Snijd je in je duim bij het koken? Bam! Weer een stukje. Zie de pitch die ik hierover bij De Correspondent zou houden:

Waarom Je Blij Moet Zijn Met Je Duimen

Dit is wat ik leerde toen ik in mijn duim sneed. Ik leerde het kleine waarderen, mijn wereld werd kleiner, en daarmee ook mijn mogelijkheden.

Ik dook ook in de geschiedenis van de duim, en de beschaving die voortkwam uit die cruciale schakel in de evolutie. Deze ontwikkeling wordt goed beschreven door de Amerikaan Steven Pinker (want ik ben gestopt met het lezen van Nederlandse boeken).

Ook Nietzsche sneed zich in zijn duim, en zei er het volgende over: ‘Au, dat doet pijn, en wat onhandig nou toch.’

Ik vroeg aan Correspondent-lezers naar hun ervaringen met snijden in hun duim. Het leidde tot een stroom aan persoonlijke verhalen. Soms grappig, soms ontroerend, maar altijd oprecht. Het bracht ons bovendien dichter bij elkaar. Ik zal ze hieronder integraal laten zien, ook de volstrekt oninteressante adaptaties, om niemand tekort te doen en het gevoel van community en inclusiviteit zo veel mogelijk te versterken.

Koken en zijn ongemakken, zo oud als de mensheid. Zitten we niet voor altijd in een vicieuze cirkel?

Enzovoort, enzovoort: ik denk dat je nu wel een idee hebt van hoe makkelijk je uit een of andere compleet nietszeggende situatie een volwaardig Correspondent-stuk kunt toveren.

Wat heb ik hier op tegen? Schrijven moet geen reden zijn om de rekeningen te betalen. Je hóeft geen 2,500 woorden te schrijven als je niet zo veel te vertellen hebt.

Het leidt alleen maar af van belangrijkere dingen in het leven. Afbraak van de sociale welvaartsstaat, of de macht van het grootkapitaal, om maar eens wat dwarsstraten te noemen. Dwarsstraten waar overigens in andere takken van De Correspondent uitstekend over wordt geschreven.

Schrijven moet voortkomen uit intrinsiek gevoelde noodzaak, niet vanuit de behoefte om maar aan dat woordenaantal te voldoen, of om maar iets quasi-diepzinnigs op te leveren, dat in werkelijkheid zo plat is als een pannenkoek.

Zo, nu is dit stuk 2000 woorden! Ik stop ermee.

[1] Het ‘gratis’ gedeelte van de website van De Correspondent is overigens vrij ondoorgrondelijk. Op het moment dat je op de site zelf wil navigeren, dan moet je betalen. Maar als je gaat googelen kun je eigenlijk ieder artikel alsnog bekijken, en staat zelfs bovenaan dat het je ‘cadeau’ is gedaan door een wildvreemde! Rare jongens, die Amsterdammers.