Christopher Nichols et al. – Almost All-American: 21st-Century Works for Clarinet

Op onregelmatige basis recenseer ik nieuw verschenen CDs voor Tijdschrift de Klarinet. Exact een jaar geleden recenseerde ik het album Christopher Nichols et al. – Almost All-American: 21st-Century Works for Clarinet.

Christopher Nichols is een veelgeprezen Amerikaanse klarinettist, die zich sinds 2013 heeft verbonden aan de University of Delaware. De Buffet Cramponspeler staat vol in het leven, en geniet al enkele decennia een rijke en afwisselende klarinetcarrière. Reden genoeg voor een feestje, in de vorm van het recent uitgebrachte Almost All-American: 21st-Century Works for Clarinet. Op deze cd laat hij, vergezeld van zijn vaste pianist Julie Nishimura en andere muzikale makkers, een selectie horen van een aantal recente opdrachtcomposities die tot zijn ijzeren repertoire zijn gaan behoren. Met aanstekelijk en oprecht enthousiasme loodst Nichols de luisteraar door de nieuwe klankwerelden die lange reeks componisten voor hem schiepen.

Dit doet hij niet alleen muzikaal, maar ook in woord. Zijn prettig vlot geschreven voorwoord in het cd-boekje voelt alsof hij het je op een achternamiddag in de kroeg had kunnen vertellen. De teksten over de muziek die we horen, goeddeels geschreven van de componisten zelf, laten daarentegen niets aan het toeval over: iedere muzikale afslag die op de cd wordt genomen wordt uitvoerig toegelicht. Dat komt ervan als je toonkunstenaars aan het woord laat over hun eigen muziek.

Samen met Nishimura trapt Nichols af met de Clarinet Sonata uit 2015, van de Amerikaanse veelschrijver James M. Stephenson. Het is een welluidend stuk, dat in de verte doet denken aan het gloedvolle Amerikaanse geluid van Aaron Copland. Tegelijkertijd roept het doorwrochte Allegretto ook asociaties op met Malcolm Arnolds klarinetsonate. Het monumentale, vierdelige werk mondt uit in een stevige uitsmijter, dat gegarandeerd het publiek op de banken krijgt. Stephenson komen we op het einde van de cd opnieuw tegen, met twee werken die als ‘bonusprijzen’ de klarinetsonate vergezelden: twee charmante showstukken, oorspronkelijk geschreven voor trompet en piano (Stephenson zelf is van huis uit trompettist).

In Birds of Passage uit 2013 van Joseph Eidson worden de musici vergezeld door countertenor Augustine Mercante. Het wereldse verhaal achter dit werk is dat Nichols een blok van 30 minuten kreeg toegewezen op het ClarinetFest. Dat kreeg hij echter niet gevuld met het programma dat hij in zijn hoofd had: hij had meer muziek nodig! Gelukkig zag ‘Joe’, zoals Eidson in het boekje amicaal wordt genoemd, een oproepje van Nichols voorbijkomen op Facebook, en hij gaf aan dat hij wel iets kon schrijven. De techniek staat voor niets.

Het tweedelige werk, gebaseerd op teksten van de Amerikaanse dichter Henry Wadsworth Longfellow, opent met Autumn Within, dat weinig aantrekkelijk door de componist zelf wordt omschreven als ‘depressief gepieker over het verouderingsproces’. The Poets and His Songs is lichter van toon: het biedt een blik op het maakproces van de kunstenaar, en het mysterie dat hier altijd omheen hangt. Gelukkig is de muze in een goed humeur, en eindigt het geheel in een opgetogen, triomfantelijke uitroep van de countertenor: ‘he needs must obey, when the Angel says: Write!

Als het cd-boekje ons één ding meegeeft, dan is het wel dat hedendaagse muziek niet gratis wordt geschreven. Bij de meeste werken wordt één en ander verteld over de ontstaansgeschiedenis, maar ook over de steun die Nichols weet te mobiliseren. Dit gebeurt door middel van projectsubsidies en fondsen aanschrijven, maar ook in de vorm van zogeheten ‘consortia’. Hierbij schrijft de componist een werk niet in opdracht van één muzikant, maar wordt het aangeboden aan een aantal opdrachtgevers tegelijk. Gezamenlijk kunnen die de componist dan een schappelijke gage bieden. Om de omvangrijke sonate van Stephenson mogelijk te kunnen maken, werd bijvoorbeeld op die manier een consortium gevormd van maar liefst 25 klarinettisten.

Vermeldenswaardig is nog het Divertimento for Woodwind Quartet uit 2016 van Sy Brandon. Toen de hoornist van zijn blaaskwintet een sabbatical nam, kwam Nichols tot het inzicht hoe weinig muziek er voor de resterende bezetting bestond. Ook hier probeerde hij een consortium te vormen. En hij trof het: Brandon was op dat moment toch al bezig met een ongebruikelijk blaastrio van fluit, klarinet en saxofoon. Dan kon dit er ook wel bij. Het werk roept veel associaties op met de blazerssonates van Paul Hindemith en – wederom – Malcolm Arnold. Nergens wordt het helaas echt spannend, zeker met de muziek van deze zwaargewichten in de oren.

Al met al heeft Nichols genoeg om op terug te kijken in zijn rijke carrière, waarin hij veel nieuwe muziek heeft kunnen faciliteren – iets wat een diepe buiging ontlokt in een tijd waarin het moeilijk is voor hedendaagse componisten om zich te kunnen handhaven. Hij mag daarom trots zijn op het resultaat van Almost All-American. Hetis het visitekaartje van iemand die zich vol overgave in de muziekscene beweegt, en een keur aan muzikale connecties heeft die ook nog eens graag voor hem rennen. Nichols doet de luisteraars een deugd, door ze deelgenoot te maken van dit rijkgeschakeerde muzikale leven.