Categorieën
recensies

Martin Fröst, Concerto Köln – Vivaldi

Op onregelmatige basis recenseer ik nieuw verschenen CDs voor Tijdschrift de Klarinet. Exact een jaar geleden recenseerde ik het album Eric Hoeprich – Carl Maria von Weber & Franz Krommer: Clarinet Quintets.

Antonio Vivaldi is geen componist die men direct associeert met klarinetrepertoire. In vijf werken uit zijn omvangrijke oeuvre schreef hij het instrument voor, en dat was al een hele prestatie, in de wetenschap dat de ontwikkeling van de klarinet in Vivaldi’s tijd eigenlijk nog in de kinderschoenen stond. Met deze kennis stelde klarinettist Martin Fröst stelde de volgende hypothetische vraag: wat had Vivaldi voor de klarinet kunnen componeren, wanneer het instrument verder ontwikkeld was geweest, en als Vivaldi bij leven een virtuoze klarinettist had ontmoet die wel raad weet met kunst- en vliegwerk?

Alles bij elkaar is het geen bizarre gedachte. Denk maar aan de bekende vriendschap tussen Vivaldi en zangeres Anna Girò, die de voedingsbodem vormde voor talrijke virtuoze aria’s van zijn hand die Girò in première bracht. Bovendien stelde Fröst de vraag aan de kundige arrangeur Andreas N. Tarkmann, waardoor ook de condities voor een soortgelijke, vruchtbare band tussen schriftsteller en musicus meteen werden geschapen.

Vooropgesteld: Martin Fröst is een fantastische klarinettist, die behoort tot de absolute wereldtop. Al decennia weet hij de suggestie te wekken dat alles wat hij aanraakt in goud verandert. Daarnaast staat hij bekend om zijn lef en ongebreidelde nieuwsgierigheid. Denk maar eens terug aan het befaamde ‘dansconcert’ dat Anders Hillborg in 1998 voor hem schreef. Ook voor het Vivaldi-project nam Fröst geen halve maatregelen: hij bestelde een nieuw buxusinstrument (van Buffet Crampon uit Parijs) om zo dicht mogelijk bij de klank van de achttiende-eeuwse klarinet te kunnen komen. Dit alles echter zonder, zoals het begeleidend schrijven het vermeldt, ‘af te zien van de technische verworvenheden van de moderne klarinet’. Op dit laatste kom ik later nog terug.

Tijdens het maakproces liet Antonio Vivaldi zichzelf kennen als een echte hergebruiker, die het absoluut geen schande vond om eerdere muziek voor een nieuwe opdracht te gebruiken. Deze vorm van leentjebuur kon bestaan uit een enkele frase, of uit het overnemen van hele delen. Het was nog ver voor de dagen dat men van ‘zelfplagiaat’ had gehoord, laat staan het associeerde met iets onwenselijks – hooguit werd het efficiënt of pragmatisch gevonden.

Arrangeur Tarkmann nam dit als uitgangspunt voor drie fictieve concerti voor klarinet en orkest, zoals Vivaldi ze ‘zou hebben kunnen schrijven’. Ieder concert wordt gevolgd door een kort – origineel – intermezzo voor strijkers en basso continuo, waarin het uitmuntende Concerto Köln zich ontworstelt aan zijn begeleidende rol. Tarkmann leende veel uit het uitgebreide operarepertoire van Vivaldi. Dat leidt in de meeste gevallen tot heel frisse muziek, die er wonderwel goed slaagt om in de geest van de componist te blijven. Het is geen verrassing dat rasmuzikant Fröst hier ook een belangrijk aandeel in heeft. Met name in de langzame delen werkt het wonderschoon, met als absoluut hoogtepunt de zeer stemmige air ‘La Tortora’ waarmee het album afsluit. Hier ontmoeten heden en verleden elkaar in volmaakte harmonie.

Toch draagt het gedachte-experiment dat ten grondslag ligt aan dit album een groot risico met zich mee. Historische ‘wat als’-projecten zoals deze pakken lang niet altijd goed uit, en je moet van goeden huize komen om ‘de kennis van nu’ niet hinderlijk aanwezig te laten zijn. Zo lijkt de arrangeur in de concerto’s soms niet echt een keuze te hebben gemaakt tussen het belcanto en het concertante: op sommige momenten valt de muzikale machine ineens stil, waarop de klarinet een uitgebreide cadens voor zijn rekening neemt, als ware hij een volleerd heldentenor. Die operatische elementen zijn verrassend en spannend, maar werken ook vervreemdend als je een instrumentaal stuk van Vivaldi verwacht. Dit geldt ook voor een aantal storende omspelingen in de klarinetpartij. Kwieke voorslagen en uitgestrekte arpeggio’s: onmiskenbaar klarinettistisch, maar in Vivaldi-context getuigen ze, in al hun anachronisme, vooral van een gebrek aan stijlbewustzijn.

Is dit nu het beste van twee werelden? Het technische vernuft van de hedendaagse klarinet meets de warmte van de historische uitvoeringspraktijk, zoals het begeleidend schrijven eerder beloofde? Het staat buiten kijf dat het een gedurfd experiment is – Fröst ten voeten uit. Ook is het een productie die bij iedere beluistering opnieuw prikkelt en nieuwsgierig maakt, op sommige momenten echt ontroert, en waar je lang op blijft kauwen. En laten we eerlijk zijn: als je dat met een album weet te bewerkstelligen, dan is je missie als innoverend musicus eigenlijk wel geslaagd.