Categorieën
artikelen

Passie, werkzekerheid en levensloop onder musici

Zoals ik eerder al aangaf heb ik een grote interesse voor de relatie tussen geld en werk in de culturele sector. Die interesse werd aangewakkerd door een boek met de prikkelende titel Culture is bad for you van Orian Brook, Dave O’Brien en Mark Taylor. Dit boek – vette aanrader – opende mijn ogen voor veel ongelijkheden die er bestaan in de culturele sector, en de bestaansonzekerheid die artistiek werken in de culturele sector kenmerkt.

In dat kader vond ik het aardig om op deze plek af en toe iets te delen over mijn zoektocht in de bestaande literatuur over dit onderwerp. Het is interessant om te laten zien dat er duidelijke patronen te ontwaren zijn in hoe de culturele sector functioneert.

Zo las ik een artikel van Charles Umney en Lefteris Kretsos dat in 2015 verscheen in het internationale tijdschrift Work and Occupations. Zij deden kwalitatief onderzoek naar werk(on)zekerheid onder Londense jazzmuzikanten aan het begin van hun carrière.

Projectwerk

Het is relatief gebruikelijk in de culturele sector om te werken op projectbasis: meerdere kortlopende projecten met uiteenlopende opdrachtgevers. Naarmate je naam en faam opbouwt, zou volgens de theorie de wildgroei aan klussen en klusjes langzaam slinken tot werk afkomstig van een kleinere, stabiele groep vaste opdrachtgevers. Mensen die net van de vakopleiding komen, en nog weinig werkzekerheid hebben, zouden zodoende in de loop van hun carrière kunnen hopen op een in meer of mindere mate ‘voorspelbare’ inkomstenbron. Dit is een complex proces, beheerst door de spanning tussen artistieke integriteit en de behoefte aan stabiliteit.

De meeste jazzers in het onderzoek van Umney en Kretsos zitten in deze overgangsfase.

Werk op projectbasis biedt werknemers, ondanks de inherente onzekerheid, ook de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op hoe ze hun loopbaan willen vormgeven. Omdat musici óók relatief stabiele banen kunnen krijgen, zoals lesgeven, kunnen zij een heel doorwrocht portfolio opbouwen, waarbinnen liefdewerk-oud-papier makkelijk náást betrouwbaardere inkomensstromen kan bestaan. In die zin lijken artiesten werkonzekerheid (of, zoals de sociologen het graag noemen: precariteit) eerder als een gegeven te beschouwen dat ze een plek moeten geven binnen dat portfolio, in plaats van een fase die moet worden doorlopen op weg naar een stabiele baan en een stabiel inkomen.

Passie

Uiteraard kunnen mensen met een artistiek beroep ideologische drijfveren hebben – “het coole artiestenbestaan” –, die maken dat ze de het onzekere bestaan voor lief nemen. Maar nog belangrijker is passie. Dit begrip is onder meer eerder onderzocht door Susan Michie en Debra Nelson (2006). Als werknemers veel om hun werk geven, als het een wezenlijk onderdeel vormt van hun identiteit, dan kan dat leiden tot het veronachtzamen van een gezonde werk-privébalans. Dit maakt dat mensen met passie voor hun werk méér onbetaalde uren maken. Tegelijkertijd komen ze ook verder in hun carrière, en creëren ze meer kansen om nieuwe opdrachten te krijgen, om zichzelf in de kijker te spelen, enzovoorts.

Diegenen die braaf nominaal werken, krijgen die kansen vaak níet. Zij worden dus in zekere zin ‘gestraft’ voor het vermeende gebrek aan passie. Maar zeker in een ontzettend precair beroep als kunstenaar lijkt passie van doorslaggevend belang om te kunnen en te wíllen blijven werken.

Ik lees nog even verder, wordt vervolgd.