Categorieën
artikelen

“Er zijn veel Jan-Pieters in onze scene”: Passie en onzekerheid onder musici (#4, slot)

Uit de vorige blog in deze serie (hier) weten we dat musici vaak voelen dat ze een keuze moeten maken tussen “creatief” en stabieler werk. Waar velen bewust voor optie 1 kiezen, is er een kleine minderheid die dat niet doet.

Hoe iemand reageert op financiële onzekerheid hangt samen met of iemand ondersteund wordt door naasten. Bijna alle geïnterviewden in het onderzoek van Umney en Kretsos beschrijven dat ze op een bepaald moment afhankelijk waren van financiële steun van bijvoorbeeld ouders. Zo leerden de meesten hun instrument bespelen op de basisschool en waren daarvoor afhankelijk van aanmoediging en middelen van pappa en mamma. Zoals een 26-jarige drummer het beschrijft: “Ik heb altijd muziek gemaakt, omdat er veel muzikanten in mijn familie waren, dus het was er gewoon. … Dus ik begon op Tupperware-dozen te spelen en ik had altijd al lange tijd nep-kits en toen kocht mijn vader op mijn zesde een echt drumstel voor me. … Op mijn zesde speelde mijn zus al trompet, dus ik trad met haar op en mijn broer speelde trombone.”

Deelnemers hadden vaak lange tijd geïnvesteerd in het oefenen van hun instrumenten en de meesten beschouwden deze vroege ondersteuning als cruciaal. Ouders bleven vaak ook ondersteunen tijdens de conservatoriumperiode, die niet alleen de goede opleiding biedt, maar ook belangrijke netwerken voor toekomstige gigs. Het is zeer waarschijnlijk dat de noodzaak van financiële steun door de ouders een barrière vormt voor musici uit minder welvarende achtergronden.

Dit heeft ook andere gevolgen voor hoe musici zich gedragen op de arbeidsmarkt. Als jij een permanent vangnet hebt van je ouders, dan biedt dit een onderliggende zekerheid die de acute behoefte aan stabiel werk vermindert: “Als ik een maand geen inkomsten heb, dan weet ik dat ik niet op straat hoef te leven. In het ergste geval ga ik weer thuiswonen” (Dan, 26, saxofoon). Veel musici zijn zeker in de beginjaren sterk afhankelijk van financiële support van de ouders, aangezien ze hun tijdmoeten besteden aan onbetaald werk dat nodig is om een netwerk op te kunnen bouwen.

Deelnemers aan het onderzoek merkten op dat musici met ouders die een financieel vangnet kunnen bieden meer kans hebben om te kiezen voor een carrière als muzikant, omdat ze dus minder afhankelijk zijn van een stabiele inkomstenbron. Dit leidt tot een overschot aan muzikanten uit bovenmodale gezinnen.

Er bestaat een duidelijke link tussen sociale klasse en het vermogen om muziek als passie te volgen in de arbeidsmarkt. Het financiële vangnet kan het makkelijker maken om langere tijd te werken in precair werk, terwijl het ontbreken van deze ondersteuning kan leiden tot grote problemen. Omdat geld in rijkere gezinnen minder een kwestie van leven of dood is (denk aan het adagium ‘wij praten niet over geld’), hebben musici uit vermogende kringen ook vaak een zelfverzekerder houding, en zien ze zichzelf ook meer als kunstenaar dan als werknemer.

In enkele interviews komt het stereotype naarvoren van de zelfgenoegzame jazzmuzikant, die de luxe had om individuele projecten te volgen ten koste van alle eigenschappen die vereist zijn voor professionals: zelfpromotie, organisatie, technische vaardigheden zoals het nauwkeurig lezen van noten: “de ultieme jazz-houding, spelen met de rug naar het publiek, spelen wat ze willen, je kunt er donder op zeggen dat hun ouders niet om geld verlegen zitten.”

Veel jazzmuzikanten zien hun passie en precaire werkomstandigheden als onlosmakelijk verbonden. Sommigen zien de mogelijkheid tot meer werkstabiliteit als beknellend en zoeken in plaats daarvan naar een balans tussen het ondersteunen van zichzelf op een acceptabel niveau en het behouden en beheren van de inherente verbindingen tussen “passie” en precaire werkomstandigheden. De beschikbaarheid van ouderlijke steun maakt dit gemakkelijker en degenen die meer steun hebben, zijn over het algemeen geneigd om zich meer te (kunnen) concentreren op “origineel”, ongereguleerd werk.