Categorieën
Muziek

BlattWerk Quintett – Figurationen

Op onregelmatige basis recenseer ik nieuw verschenen CDs voor Tijdschrift de Klarinet. Exact een jaar geleden recenseerde ik het album BlattWerk Quintett – Figurationen.

Arrangeren is booming. Professionele ensembles in het muzikale landschap heden ten dage die zelf arrangementen maken voor de eigen bezetting zijn talrijk. Ik snap het wel: je kunt je ensemble makkelijker vermarkten, aangezien je jezelf veel duidelijker kunt onderscheiden van anderen als je niet alleen speelstijl en imago, maar ook repertoire naar je hand kunt zetten. Dus niet een strijkkwartet dat Mozart en Beethoven komt spelen, maar een rietkwintet dat een stuk van, pakweg, Debussy zelf bewerkt. Het is slim, want voor de luisteraar is het originele werk het enige referentiepunt. Je belandt dus minder snel in oeverloze Diskotabel-discussies over welke opname nou de mooiste tempo-overgang klaarspeelt, en het gaat sneller over de muziek zelf.

Over rietkwintetten gesproken: als ik uw eerste associatie bij het woord ‘rietkwintet’ uitvraag, dan is de kans groot dat u ‘Calefax’ zegt. En dat is ook niet zo gek, want al ruim 35 jaar lang is dit Nederlandse rietkwintet de wegbereider van het repertoire voor hobo, saxofoon, fagot, klarinet, en basklarinet (zie ook het uitgebreide interview met destijds vertrekkend klarinettist Ivar Berix in De Klarinet). Hoewel het Calefax-imperium nog lang niet tanende is, zijn er over de hele wereld verspreid andere rietkwintetten gevormd die de vruchten plukken van deze rijke bezetting. Ik zou zelfs durven stellen dat het rietkwintet als bezetting langzamerhand het blaaskwintet aan het verdringen is: hoewel het blaaskwintet meer ‘origineel’ repertoire kent, heeft Calefax de zichtbaarheid van de nieuwe bezetting veel goed gedaan, en met name door de toevoeging van de basklarinet is het in de laagte beter in balans dan het blaaskwintet.

Een van de hoogvliegers binnen het genre is het Zwitserse BlattWerk, bestaande uit Martin Bliggenstorfer (hobo), Jonas Tschanz (saxofoon, overigens afgestudeerd in Amsterdam), Elise Jacoberger (fagot en contraforte), Richard Haynes (basklarinet, klarinet, en esklarinet), en Nils Kohler (klarinet en basklarinet). Zij lopen al een jaar of zes mee, maar pas in 2022 brengen zij een denderend debuutalbum uit getiteld Figurationen, waarmee zij een duidelijke eigen stem veroveren binnen de niche van de rietkwintetten. Vijf topmuzikanten van rond de 40, met elk ook een eigenzinnige carrière buiten het ensemble om.

Soms worden veertigers nog wel eens aangekondigd als ‘aanstormend’ en ‘jong’, maar effectief zijn veertigers toch al een slordige twintig jaar bezig met professioneel muziek maken. Wanneer houdt dat jong en aanstormend zijn op? Dat even geheel terzijde.

Eerder zei ik het al: arrangeren is hip. Tegelijkertijd weten we dat arrangeren meer vergt dan alleen maar het knippen en plakken van noten uit een origineel. Wanneer gaat een nieuw arrangement werken? De gitarist Stanley Yates schreef hier eens over dat een goed arrangement drie componenten bevat: meerstemmigheid, textuur, en idioom. Als je een arrangement maakt, dan moet de meerstemmigheid van het origineel als het ware opnieuw worden geschapen. Dit moet bovendien gebeuren in een vorm waarbij contrapunt en harmonie consistent worden behandeld. Ook moet de textuur opnieuw worden bedacht: hoe kan het arrangement gemaakt worden binnen de grenzen van een ensemble, waarbij de instrumenten optimaal tot hun recht komen? En dan moeten al deze doelstellingen ook nog worden gerealiseerd binnen een idioom dat past bij de nieuwe bezetting.

Hoe brengen de stukken op dit album het er vanaf, als we het langs deze meetlat leggen? figurations de mémoire, de naamgever van het album die Walter Feldmann in 2017 voor het gezelschap herbewerkte, kon mij weinig bekoren. Dat ligt meer aan het hermetische en statische stuk – naar verluidt een nauwgezette verklanking van een gedicht van de Franse dichteres Anne-Marie Albiach, dus op zijn manier ook een ‘arrangement’.

De stukken van Bartók, Ravel en Débussy overtuigen daarentegen wel. Samen vormen ze een glansrijke ode aan het tijdperk van de verwijde tonaliteit, voor tweederde bovendien in een fonkelnieuw Zwitsers jasje (Debussy werd eerder al omgezet door Calefax-coryfee Oliver Boekhoorn). Twee stukken – de Suite Op. 14 van Bartók en Ma mère L’oye van Ravel – die bij uitstek pianomuziek zijn: zie die maar eens succesvol te hertalen voor elke willekeurige ensemblebezetting. Dat doen de ensembleleden zelf, en ze doen het met verve en met durf. Bartók en Ravel krijgen letterlijk een nieuwe betekenis in deze bezetting, en als je dat voor elkaar krijgt met zulke geijkte stukken, dan heb je nog veel meer in je mars. Hou dit kwintet dus in de gaten, want veertigers hebben gelukkig meestal nog wel wat productieve jaren voor de boeg.